Waarom was je dit jaar aanwezig bij de Commissie voor de Status van de Vrouw in New York? 

Ik had twee doelen met mijn deelname aan de Commissie voor de Status van de Vrouw (CSW) in New York. Het eerste was het vertegenwoordigen van de Franstalige Belgische academische wereld voor ARGO, de Belgische adviesraad voor Gender en Ontwikkeling. De raad is erg actief rond de CSW, omdat we officiële input leveren voor de Belgische onderhandelingspositie. Dus ik nam deel aan de CSW om het werk van de raad te ondersteunen en om beter voorbereid te zijn op de strategie voor de volgende sessie. 

Ten tweede was ik er ook in het kader van mijn eigen onderzoek naar vrouwenrechten. Het werk van ARGO is erg relevant voor mijn onderzoek, omdat de discussies tussen de leden de moeilijkheden weerspiegelen die men tegenkomt bij het zoeken naar consensus over vrouwenrechten. Tegelijk zijn er op de CSW ook veel uiteenlopende meningen over vrouwen en gender, inclusief anti-genderperspectieven. 

 

CSW onder Trump 

Merkte je veranderingen in het anti-genderdiscours op de CSW? 

Ik denk dat het grootste verschil dit jaar de nieuwe Amerikaanse president was. De Verenigde Staten kunnen een belangrijke motor zijn: als ze bondgenoten zijn, wordt onderhandelen makkelijker. Maar dat was dit jaar niet het geval. 

Ze konden de politieke verklaring – het officiële einddocument dat dit jaar door alle lidstaten werd onderhandeld – niet tegenhouden, maar ze deden wel alles om het proces te belemmeren en het veel moeilijker te maken om tot consensus te komen. 

Wat mij vooral opviel, was de aanwezigheid van anti-genderdiscours tijdens de nevenevenementen. Dat zijn sessies die georganiseerd worden door overheden of NGO’s, naast de officiële vergaderingen. 

Dus ook NGO’s waarvan je het niet verwachtte, spraken over anti-genderthema’s? 

Ja. Vooral religieuze bewegingen. 

Is dat nieuw? Hielden religieuze evenementen zich voorheen afzijdig van anti-gendernarratieven?

Ik denk niet dat het op zich nieuw is. Wat wel nieuw is, zijn de allianties die ze vormen met andere religies. Ik was bij een gezamenlijk evenement van moslims en hindoes. Deze groepen zijn het vaak niet met elkaar eens. Maar tijdens dit evenement vonden ze overeenstemming over vrouwenrechten. Dat was heel vreemd om mee te maken. 

Ze waren het erover eens dat het onredelijk is om over gelijkheid te spreken. Volgens hun visie hebben mannen en vrouwen verschillende “natuurlijke” rollen, en moeten we hen daarin ondersteunen. Dit soort enge definities van gender en geslacht is een bewuste strategie geworden in anti-genderretoriek. 

Retoriek van anti-gender stromingen

Merkte je nog andere strategieën die ze gebruiken? 

Sprekers en leden van het publiek gebruikten veel vaker dan voorheen hun persoonlijke verhaal. Ze stelden zich voor als ouders en vertelden hoeveel kinderen ze hebben. Dat was een terugkerend patroon. 

Ze zetten hun persoonlijke identiteit in, in plaats van hun organisatie of expertise, om zich af te zetten tegen gendergelijkheid. 

Als sociaal onderzoeker vind ik het tot op zekere hoogte normaal om persoonlijke ervaringen mee te nemen. We moeten onze eigen bias en mening erkennen in onderzoek. Maar bij hen gaat het niet om het tonen van subjectiviteit. Ze gebruiken achterhaalde wetenschappelijke en pseudowetenschappelijke argumenten, gebaseerd op Freudiaanse theorieën en evolutionaire biologie uit de jaren 80, om hun gelijk te bewijzen. 

Een voorbeeld: het evenement van de Heilige Stoel (het Vaticaan) gebruikte oude theorieën uit de pornostudies. Ze stelden dat pornografie het gedrag en de relaties tussen mannen en vrouwen verandert. Dat wordt gepresenteerd als een grote bedreiging voor jongeren. Maar deze theorieën zijn allang bekritiseerd en verworpen in de reguliere wetenschappelijke wereld. 

Dit is vergelijkbaar met mediastudies uit de jaren 70 en 80 die beweerden dat mediaconsumptie automatisch gedrag verandert – zoals het idee dat jongens gewelddadiger worden door videogames. 

Waarom gebruiken ze dan toch zulke achterhaalde theorieën? 

Ze willen de hedendaagse kennis uit genderstudies of sociologie in diskrediet brengen. Vooral alles wat te maken heeft met intersectionaliteit en critical race theory. Ze verspreiden valse beschuldigingen en stellen dat hedendaagse kennis – die eigenlijk niet eens zo nieuw is – niet op empirische realiteit gebaseerd zou zijn. 

Ik heb het gevoel dat de strijd om wetenschap echt centraal staat in deze bewegingen en de polarisatie. Maar misschien ben ik daarin niet objectief, als sociaal onderzoeker. 

Denk je dat dit ook verband houdt met de opkomst van anti-intellectualisme? 

Misschien wel. Er zijn altijd wel randtheorieën te vinden die elk standpunt kunnen ondersteunen. Als theorieën met elkaar concurreren, waarom zou je dan nog in wetenschap geloven? Het is een moeilijke kwestie, want het raakt aan onze visie op wat wetenschap eigenlijk is. Sommige mensen hebben een enge definitie: alleen hypotheses die statistisch bewezen zijn, gelden als ‘echte wetenschap’. Daardoor worden wetenschappelijke bevindingen die via andere methodes verkregen zijn, niet meer serieus genomen. 

Bereiken ze hun doel? 

Terug naar de CSW – wat denk je dat anti-genderbewegingen willen bereiken met hun aanwezigheid? 

Ik denk dat ze er zijn om anderen te overtuigen van hun discours, om vrouwenrechten te ondermijnen. Ze willen ook opvallen en evenementen verstoren. Wat we zagen tijdens het Belgische evenement bij de VN is een goed voorbeeld. 

Aan het einde van dat evenement begon een jonge vrouw over haar persoonlijke ervaringen. Ze gebruikte precies dezelfde strategie als op andere evenementen. Eerst sprak ze over zichzelf en haar bekering tot religie. 

Ze stelde niet eens een echte vraag. Ze zei gewoon: “Waarom noemen jullie ons fascisten en nazi’s?” Terwijl niemand dat had gedaan. 

Deze strategie zagen we op veel nevenevenementen: inspelen op emoties, sterke taal gebruiken, en hun persoonlijke identiteit inzetten om het debat te ontregelen. Het is een retorische truc om de andere spreker te ondermijnen, zonder echte argumenten aan te dragen. 

Denk je dat die strategieën effect hebben? Werken ze? 

Ja, ik denk van wel. Ik ben er zeker van dat sommige mensen door die argumenten aan het twijfelen worden gebracht. 

Sommige punten kloppen ook. Tijdens een evenement van de Heilige Stoel ging het bijvoorbeeld over genderselectieve abortus (een zwangerschap beëindigen op basis van het voorspelde geslacht van de foetus). 

Ze hebben gelijk dat dit vaak het eerste moment is waarop meisjes gendergerelateerd geweld meemaken. Maar ze gebruikten dat als opstap naar een anti-abortusdiscours. 

Ze beginnen met een logisch punt, en vervolgens schuiven ze radicale ideeën naar voren. En ik weet zeker dat sommige mensen dan denken: “Misschien moeten we inderdaad opnieuw nadenken over abortusrechten.” 

Inzichten 

Wat is je grootste inzicht uit je bezoek aan anti-genderevenementen op de CSW? 

Als onderzoeker kent niemand je, en dat maakt het makkelijker om te luisteren, ook als je het oneens bent met wat er gezegd wordt. Ik heb vele uren met de anti-genderbeweging doorgebracht, en door mijn rol kon ik ook persoonlijker met hen praten. 

Wat me het meest is bijgebleven, is dat we het vaak eens zijn over de problemen. 

Een voorbeeld was een evenement over de rol van vaders. Hun argumenten over de moeilijkheden waar jongens en mannen tegenaan lopen, begonnen exact zoals je ze ook in genderstudiesboeken vindt, zoals Boys Don’t Cry

Maar genderstudies koppelen die problemen aan bredere maatschappelijke structuren en het patriarchaat. De anti-genderbeweging wijst feminisme aan als schuldige. 

Dus ja, we zijn het eens over het probleem, maar onze oplossingen verschillen enorm. 

We moeten laten zien waarom onze oplossingen betere resultaten geven. En dat we hun oplossingen al geprobeerd hebben in het verleden – zonder succes. 

Wat kan de lezer doen?

Leren. Het eerste wat je moet doen is je verdiepen in de verschillende soorten discours. 

Daarbij hoort ook erkennen dat genderstudies óók normen kunnen creëren. Zowel genderstudies als anti-genderdiscours hebben de macht om denkpatronen te vormen die niet voor iedereen passen. 

Een voorbeeld: in queer studies gebruiken we de term transgender. Maar het is belangrijk om te beseffen dat die term een specifieke historische en geografische context heeft. Bijvoorbeeld: de two-spirit-gemeenschappen bij inheemse volkeren in Noord-Amerika wijzen deze term vaak af, omdat die hun werkelijkheid niet voldoende weerspiegelt. 

Onze taal en ons onderzoek hebben ook blinde vlekken, en we moeten ons daarvan bewust zijn. Westerse universiteiten en onderzoekers hebben lang een monopolie gehad op de terminologie. Die moeten we ook dekoloniseren. 

We moeten wetenschappelijk werk blijven gebruiken, maar dan wel degelijk onderzoek – geen evolutionaire psychologie uit de jaren 80. 

En ik vind dat onderzoekers overal aanwezig moeten zijn, om te luisteren naar de argumenten van anti-gender bewegingen en vragen stellen. Net zoals zij dat doen. Maar uiteraard moeten we opletten dat we geen agressieve taal gebruiken of de waarheid verdraaien, zoals zij vaak doen.